Meer Nieuws
Duurzaam

Omgevingswet nog zeer mysterieus

Extra leges voor milieuvergunningen; participatie van de omgeving bij vergunningsaanvragen en meer lokale beleidsvrijheid voor gemeenten om milieukwaliteitseisen vast te stellen. Er is nog veel onduidelijk over de nieuwe Omgevingswet, maar wat er wél duidelijk is, is niet per sé gunstig voor bedrijven.

Een jaar nadat de ‘stam’ van de nieuwe Omgevingswet is goedgekeurd door de Eerste kamer en is gepubliceerd, groeien er nu ‘takken en bladeren’ aan (Invoeringswet, de aanvullingswet bodem, geluid, grondeigendom en natuur). Voor bedrijven is het echter zaak dat die metafoor beperkt blijft en dat de bomen niet door blijven groeien: immers de achtergrond van de Omgevingswet is het vereenvoudigen en samenvoegen van regels voor ruimtelijke ontwikkeling. De onderdelen van de Omgevingswet zullen in de komende periode het wetgevingsproces doorlopen, maar of de geplande inwerkingtreding in begin 2019 wordt gehaald, is volgens velen twijfelachtig.

Van risico naar effect
Onder de noemer ‘externe veiligheid’ zullen bedrijven straks te maken krijgen met ‘aandachtsgebieden’ in plaats van de nu gangbare ‘groepsrisico-uitwerking’, zo vertelt Peter Stufkens, consultant bij Tauw en expert op het gebied van de nieuwe Omgevingswet. Naast het ‘plaatsgebonden risico’ wordt in de toekomst ook naar ‘effecten’ gekeken. Door de grotere ruimtelijke consequenties van deze aandachtsgebieden kan dit leiden tot nieuwe knelpunten en het kan betekenen dat een bedrijf voor het onderwerp straks met verschillende gemeenten te maken kan krijgen.

Gemeenten die bovendien een zekere mate van beleidsvrijheid zullen gaan krijgen in het nieuwe stelsel. “Dat zal zeker een issue worden”, denkt Stufkens, hoewel hij het nog wel mogelijk acht dat bedrijven op dit onderdeel inhoudelijk invloed uit kunnen oefenen op overheden en toezichthouders.

Advies- en ingenieursbureau Tauw deelde op donderdag 5 juli haar kennis over de Omgevingswet. Een in het oog springend punt was volgens VOTOB-directeur Sandra de Bont de herinvoering van leges voor milieugerelateerde activiteiten. “Op dit moment hebben bedrijven wel te maken met leges voor bouwvergunningen, maar als daar straks nog kosten voor milieugerelateerde activiteiten bijkomen, komen er heel wat extra facturen naar bedrijven toe.”

Verder is de aandacht voor ‘participatie’ opvallend in de nieuwe wet. Of het nu is bij het opstellen van een Omgevingsplan door de gemeente of bij het aanvragen van een vergunning door het bedrijf, de omgeving zal erbij moeten worden betrokken. Maar ook hier blijft het voor bedrijven duister op welke manier deze participatie zal worden vormgegeven. Pascal Spiekerman (Manager HSEQ, Koole Tanktransport) heeft een suggestie: “Ik vind dat de gemeente, en dan bedoel ik de ambtenaren niet de politiek, de lead moeten nemen in het organiseren van participatie. Alleen op die manier kun je een eerlijke belangenafweging tussen alle stakeholders garanderen en laat je het niet van het toeval afhangen.”

Volgens Peter Stufkens is het idee dat de veranderingen van de Omgevingswet, bedrijven en burgers voorlopig niet raken, onjuist. De invoeringsdatum in 2019 lijkt ver weg en is zelfs nog niet helemaal zeker, maar ondertussen is bijna elke gemeente zich aan het voorbereiden op de komende veranderingen in het fysieke domein. Stufkens: “Het is een defensieve ondernemersstrategie om af te wachten hoe de overheid het veranderingsproces in werking zet en de ontwikkelingsruimte van bedrijven kan en gaat begrenzen.”

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Duurzaam

Zonnepanelen op de terminal?

Wie het Waalhavengebied bezoekt, komt bij het bedrijf FrigoCare een reusachtig zonnepark tegen. Op een oppervlakte van 7.500 vierkante meter is het dak van het opslagbedrijf volledig bedekt met meer dan 3000 zonnepanelen. “Op jaarbasis leveren die ongeveer 700.000 kWh op en wordt er circa 280 ton CO2 bespaard”, weet Arnout Hoek van het bedrijf Zon Exploitatie Nederland, dat het project heeft uitgevoerd.

Zon Exploitatie Nederland heeft als motto dat het andere bedrijven faciliteert “te verduurzamen zonder te investeren.” Arnout Hoek: “Wij doen de investering voor een bedrijf als FrigoCare. De energie die we met de zonnepanelen opwekken, verkopen we aan het bedrijf waar de zonnepanelen geplaatst zijn tegen de inkoopprijs van energie. Betaal je nu 4 cent, dan betaal je dat ook aan ons. Waar je op bespaart, zijn je netkosten. Je bent dus aan energiekosten per definitie nooit méér kwijt. Een alternatief is dat het rechtstreeks aan het net geleverd wordt, en via de voordeur weer binnenkomt omdat de pandeigenaar te weinig verbruikt. Dit kan ook naar een andere locatie elders in het land”

Te lange terugverdientijd
Daarnaast geeft Zon Exploitatie Nederland andere bedrijven de mogelijkheid om het energiegebruik te verduurzamen. “Voor de meeste bedrijven is de terugverdientijd te lang om zélf die investering te doen”, weet Hoek. Maar zijn zonnepanelen ook geschikt voor de tankopslag? Je hebt immers te maken met strenge eisen op het gebied van explosieveiligheid. Arnout Hoek: “We zijn onlangs benaderd door een groot tankopslagbedrijf in Moerdijk en Rotterdam. De explosieveiligheid kun je bijvoorbeeld beïnvloeden door de omvormers verder van de zonnepanelen te plaatsen. Daar zijn we nu over in gesprek. Dat is bij ieder project weer project afhankelijk, en daar zijn we gewoonweg erg goed in: het bedenken van concepten en oplossingen”

Harm Zweedijk (manager HSE bij Vesta Terminal) heeft zelf ervaring opgedaan met zonnepanelen. “Toen de SDE-subsidie zijn intrede deed in 2009, hebben we een tweetal installaties aangeschaft. Deze panelen hebben we op het dak van het kantoor geplaatst. Later hebben we nogmaals twee grotere systemen aangeschaft en op het dak van het kantoor en de controlekamers geplaatst. Wij zijn een klasse 3-4 terminal, wat wil zeggen dat wij niet, of weinig, met Atex-zonering te maken hebben. Tot nu toe hebben we nog geen zonnepanelen op tankputdijken geplaatst. Het probleem is volgens mij niet zozeer de explosieveiligheid, maar de zoninstraling in combinatie met beschikbare ruimte. Op een dak krijgt een installatie veel meer zon, dan op een tankputdijk die misschien niet eens op het zuiden staat.”

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Duurzaam

Blenden aan Boord: ja of nee?

Ook in Genève laat VOTOB van zich horen. Samen met de Vereniging Nederlandse Petroleum Industrie (VNPI) maakt de opslagsector zich sterk voor meer duidelijkheid over het ‘blenden aan boord’. Het VOTOB-voorstel zal begin 2017 bij het UNECE-overleg in Genève op tafel komen.

Mag het nou wél of niet? Het zogenaamde ‘blenden aan boord’ bevindt zich in een juridisch niemandsland. Volgens VOTOB is het een dagelijkse en veilige praktijk die sowieso al in Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland veel wordt toegepast. Volgens de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) mag het níet, omdat het niet als aparte ‘activiteit’ wordt genoemd in het geldende Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (ADN). Maar is iets verboden alleen omdat het niet vermeld staat?

ILT gaat handhavend optreden
In de praktijk vindt blenden lang niet altijd in leidingen (inline) of in tanks plaats. Het komt regelmatig voor dat een specifiek product aan boord van een schip wordt geblend. En dit gebeurt zoals gezegd niet alleen in Nederland maar ook in omliggende landen. Volgens Pehr Teulings (adviseur logistiek, VOTOB) heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport onlangs laten weten dat men handhavend wil gaan optreden. Volgens Pehr gaat het niet om een gevaarlijke praktijk: “Je moet er wel voor zorgen dat niet alleen het eindproduct geschikt is voor het schip maar ook alle blendcomponenten dat zijn.”

VOTOB heeft geprobeerd om in gesprek te gaan met de ILT, maar dit leidde niet direct tot een oplossing. “Vervolgens hebben we samen met de VNPI en de vertegenwoordigers van de binnenvaart het initiatief genomen om te proberen het ADN-verdrag zodanig aan te passen dat ‘blenden aan boord’ wél als een toegestane activiteit wordt genoemd”, zegt Pehr. “Ook de binnenvaartpartijen BLN en CBRB schreven mee aan een zogenaamd ‘Informeel document’ dat over enkele maanden op de agenda zal staan van het United Nations Economic Commission for Europe (UNECE), het platform dat het ADN-verdrag vaststelt.”

In het UNECE zitten vertegenwoordigers van de landen die partij zijn bij het verdrag. Bedrijven hebben een adviserende rol. Pehr Teulings onderhoudt daarom ook contact met het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. “De steun van de Nederlandse overheid is belangrijk, omdat we één van de belangrijkste landen binnen het ADN zijn; het merendeel van de Europese vloot ‘vaart onder Nederlandse vlag’.”

 

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Duurzaam | Veilig

Nieuw en beter: herziene PGS 29 ziet het licht

Na langdurige en ingewikkelde discussies waarbij namens de tankopslagsector Margit Blok betrokken was, is half juli een geheel vernieuwde PGS 29 gepubliceerd. “In mijn ogen is het een duidelijke verbetering”, zegt Margit Blok (directeur HSE bij VTTI en voorzitter van de revisiecommissie).

PGS 29 is een publicatie uit de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen die van toepassing is op inrichtingen met ten minste één verticale cilindrische bovengrondse stalen tank waarvan de bodem op een fundering rust. De richtlijn geldt gedurende de gehele levensfase van de tank. PGS 29 stelt regels voor de arbeidsveilige, milieuveilige en brandveilige opslag.

Gevolgen voor tankopslag
Blok: “In de oude PGS zocht je je een ongeluk, vloog je van het ene hoofdstuk naar het andere. De herziene PGS 29 is duidelijk en simpel. Alle overbodige elementen zijn eruit gehaald. Dat resulteert in een leesbaarder stuk waar je onderwerpen makkelijk in kunt vinden.”

Voor tankopslagbedrijven is PGS 29 inhoudelijk ook een duidelijke verbetering, zegt Hennie Holtman (milieuadviseur bij VOTOB). “Voor bestaande situaties is een vloeistofkerende tankputbodem niet meer het primaire uitgangspunt. Dit middelvoorschrift is vervangen door een doelvoorschrift, namelijk het voorkomen van een blijvende bodemverontreiniging. Dat betekent dat bedrijven aan de hand van een risicostudie zelf kunnen bepalen hoe ze op de meest efficiënte manier bodemverontreiniging kunnen tegengaan.”

Een ander belangrijk winstpunt is volgens Holtman dat de verplichting van een stationaire brandblusvoorziening is losgelaten. “Ook hier mogen bedrijven hun beheersings- en bestrijdingsmaatregelen op basis van een risicobenadering vaststellen. Voor sommige bedrijven betekent dat dat stationaire voorzieningen niet per definitie noodzakelijk zijn.”

Herzieningsproces
De nieuwe PGS 29 (2016) betreft een volledige revisie van de voorgaande PGS 29 (2008). Bij veel voorschriften is nu een toelichting gegeven. In het hoofdstuk veiligheidsmanagement is nu onderscheid gemaakt tussen Brzo-inrichtingen en ‘niet Brzo’-inrichtingen. In een bijlage zijn nu de inspectie- en onderhoudsprogramma’s nader beschreven.

De actualisatie van PGS 29 heeft enige tijd stilgelegen vanwege de impasse die was ontstaan rond een aantal knelpunten. Deze knelpunten zijn door de PGS-beheerorganisatie en onder regie van het ministerie Infrastructuur en Milieu opgepakt. 

“Het is echt een gemeenschappelijke inspanning geweest van de industrie en de overheid”, vindt Margit Blok. “Natuurlijk, er staan altijd dingen in waar de industrie niet blij mee is, maar over het geheel genomen is dit document een vooruitgang ten opzichte van de vorige PGS.” Naast Blok waren uit de tankopslagsector onder andere Harm Zweedijk, John Verduijn, Jean Luteijn en Frank Blaauw bij het herzieningsproces betrokken.

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Duurzaam

Omgevingswet: écht eenvoudiger voor bedrijven?

De ‘stam’ van de nieuwe Omgevingswet is afgelopen juli door de Tweede Kamer goedgekeurd, voor bedrijven blijft het voorlopig nog onduidelijk hoeveel ‘takken’ en ‘bladeren’ eraan gaan groeien en of het oorspronkelijke doel – vereenvoudiging van regels – überhaupt wel gehaald wordt.

Om het hoe en waarom van een nieuwe Omgevingswet uit te leggen, gebruikt de Rijksoverheid korte animatiefilmpjes. Of de overzichtelijke eenvoud van die filmpjes straks echt overeenkomt met de ervaring van tankopslagbedrijven, valt te betwijfelen. Dat kwam naar voren tijdens een VOTOB-bijeenkomst over de nieuwe Omgevingswet. Bij deze bijeenkomst waren ook experts van Arcadis uitgenodigd.

De activiteit staat centraal

Het idee is inderdaad aanlokkelijk. Met de invoering van één wet voor alle regelgeving die verband houdt met de omgeving, worden onder meer de huidige Natuurwet, WABO, Activiteitenbesluit, Bouwbesluit, Flora- en Faunawet en Waterwet overbodig. De nieuwe Omgevingswet die in 2018 moet ingaan, vervangt in totaal 25 wetten, 118 AMvB’s (algemene maatregelen van bestuur) en 72 regelingen.

In de nieuwe vergunningen staat de ‘activiteit’ die een burger of een bedrijf uitvoert, centraal. Voor bedrijven wordt nu nog uitgegaan van een vergunning voor een bepaalde ‘inrichting’. Maar… zo laten experts Carsten Assmann en Bob van Horne van Arcadis weten, BRZO-bedrijven blijven ook na 2018 een uitzonderingspositie innemen. “De term ‘inrichting’ verdwijnt niet voor BRZO-bedrijven”, vertelt Assmann, “Althans voor de aspecten die met arbo te maken hebben. Dus van echte vereenvoudiging is hier nog geen sprake.”

Alle andere thema’s zoals milieu en veiligheid worden per specifieke ‘activiteit’ vergund. Een tankopslagbedrijf zal in de toekomst wel goed moeten kijken welke activiteiten onder zijn verantwoordelijkheid vallen. Volgens Assmann en Van Horne wordt een opslagbedrijf in de toekomst tevens verantwoordelijk voor steigeractiviteiten, voor tankauto-opstelplaatsen, óók buiten de poort.

Harder afrekenen

Ook de – veel bediscussieerde – PGS29 (richtlijn voor bovengrondse opslag) wordt straks op de leest van de Omgevingswet geschoeid. Dat wil zeggen dat PGS29 een duidelijke onderverdeling krijgt in regels die één-op-één nageleefd moeten worden, regels waarvan je alleen mag afwijken met voorgeschreven alternatieven en regels waarbij bedrijven zelf door middel van een risicobeoordeling de gelijkwaardigheid van alternatieve maatregelen kunnen aantonen.

In de nieuwe Omgevingswet worden de regels duidelijker, maar zullen bedrijven er harder op afgerekend worden wanneer zij niet aan de regels voldoen. Carsten Assmann: “De verantwoordelijkheid om aan de regels te voldoen wordt steeds meer bij de bedrijven neergelegd. De druk op de handhaving zal daarmee ook groter worden.”

Hoe de nieuwe wetgeving in de praktijk gaat uitpakken, zullen we pas na 2018 te weten komen. Zo simpel als in de animatiefilmpjes zal het echter zeker niet uitpakken voor tankopslagbedrijven.

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Duurzaam

Elk jaar weer laaghangend fruit

In 2012 liet de tankopslagsector een energiebesparing  van  213 TJ  zien ten opzichte van het basisjaar 2008. Mart van Melick van Agentschap NL zet deze resultaten in de juiste context.

De tankopslagsector neemt al enkele jaren deel aan de meerjarenafspraken op het gebied van energie-efficiency. De cijfers laten zien dat het totale energieverbruik in de tankopslag in 2012 (2.349 TJ) ongeveer  op een zelfde niveau ligt als in 2011. Mart van Melick is bij AgentschapNL één van de teamleden die de tankopslagsector langs de meetlat legt.

“Of het heeft opgeleverd wat de sector ervan verwachtte, dat is iets dat de branche eigenlijk zélf moet aangeven”, vindt Van Melick. “Een goed beeld van wat de besparingen hebben opgeleverd, levert ook argumenten aan om ermee door te gaan of ermee te stoppen.”

Jaarlijks stelt het tankopslagteam  een sectorrapportage samen, specifiek voor de tankopslagsector. Andere collega’s bij Agentschap NL houden zich met andere sectoren bezig. De sectorrapportage is een geaggregeerd overzicht van de gegevens die individuele bedrijven jaarlijks aanleveren. Om het succes van de meerjarenafspraken te meten, moet je de sectorrapportage daarom naast de eigen meerjarenplannen van VOTOB leggen.

Prominente plek in de organisatie
Van Melick merkt dat bedrijven hun prestaties op het gebied van energie-efficiency ook gebruiken als invulling van hun MVO-beleid (maatschappelijk verantwoord ondernemen). “Doordat je deelneemt aan de MJA, wordt het onderwerp energie  ook prominenter in de organisatie op de agenda gezet.. Dat vertaalt zich in personele zin: er worden mensen aangenomen die zich bezighouden met energiebesparing. Op die manier wordt het ook in de bedrijfsvoering verankerd. Zo krijg je gestructureerde aandacht voor energiebesparing.”

Dat verankeren van energie-efficiency-beleid was ook precies de opzet van de MJA. Van Melick: “Bedrijven die deelnemen, verplichten zich om binnen drie jaar een volledig energiezorgsysteem in te voeren, als onderdeel van hun milieuzorgsysteem. Daar rekenen we ze ook min of meer op af.” Als taken en verantwoordelijkheden binnen een bedrijf duidelijk zijn benoemd, dan is energiebesparing beter geborgd.”

Agentschap NL kijkt naar de cijfers die de bedrijven jaarlijks aanleveren, en baseert haar oordeel op deze gegevens. “Wij gaan niet ter plekke kijken of die cijfers wel kloppen, maar we bezoeken  wel regelmatig  de bedrijven, om voeling met de sector te houden. Ik wil gewoon weten wat er speelt, juist om facilitering op maat te kunnen leveren.”

Basis is vertrouwen
“De basis van het convenant is wederzijds vertrouwen. We nemen aan dat de cijfers die de bedrijven aanleveren, kloppen, de Meerjarenafspraken werken op dit punt  anders dan wetgeving. De cijfers die de bedrijven aanreiken, moeten kloppen met wat ze werkelijk doen. Soms zie je dat er onredelijke besparingen worden opgevoerd. Dan nemen wij de telefoon even om te kijken wat er aan de hand is. Niet met de insteek ‘ze zijn de kluit aan het belazeren’, maar met de vraag of er misschien ergens een fout ingeslopen is.  Het overall beeld laat toch goed zien wat bedrijven feitelijk aan het doen zijn.”

Met alle deelnemers aan de twee huidige energieconvenanten, MJA3 en MEE wordt zo’n 80% van het industriële energieverbruik bestreken. Het grootste deel van het midden- en kleinbedrijf valt buiten de convenants afspraken en hebben in plaats daarvan met de Wet Milieubeheer te maken. Het concept MJA gaat intussen al meer dan  twintig jaar mee: zijn intussen alle renderende besparingsmaatregelen niet allang genomen? Hoe lang kan zo’n convenant nog blijven werken?

Van Melick: “Soms zegt men wel eens dat al het ‘laaghangend fruit’ al geplukt is, maar kenmerkt van fruitbomen is juist dat er elk jaar weer nieuw fruit aangroeit. Bij stijgende energieprijzen en   en zich aandienende nieuwe  technieken ontstaan  telkens weer nieuwe mogelijkheden voor energiebesparingen biedt. Het is geen statisch geheel, de bedrijven zijn voortdurend in beweging.”

Lessen voor  VOTOB
Agentschap NL kijkt niet alleen naar de tankopslag, maar naar alle industriële sectoren. Is er iets dat de tankopslag van de anderen zou kunnen leren? Mart van Melick: “In het algemeen zou je kunnen zeggen dat VOTOB-leden de keuken wat meer voor elkaar zouden kunnen opengooien. In bijvoorbeeld  de rubber- en kunststofindustrie zie je dat de sector maximaal voordelen haalt uit kennisdeling  en door onderlinge samenwerking  Het heeft iets met de bedrijfscultuur te maken dat dat bij VOTOB lastiger is. Maar in mijn ogen liggen hier nog  aantrekkelijke  kansen.”

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Duurzaam

Vanaf 2015 verbod op ontgassen

Benzeen is, zoals bekend, een kankerverwekkende stof. Het was dan ook niet verrassend dat de overheid recent tot een uitstootverbod besloot. Branchevereniging VOTOB vindt echter wel dat zo’n verbod technisch haalbaar en handhaafbaar moet zijn. Dát er een verbod op ‘ontgassen’ zou komen, stond voor Sandra de Bont (directeur VOTOB) wel vast.

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn
Nieuws | Duurzaam

Heel kleine kans op grote schade

Misschien worden Brzo-bedrijven binnenkort verplicht om zich tegen milieuschade te verzekeren. Advocaat Natalie Vloemans adviseert bedrijven om niet af te wachten tot er wetgeving aankomt, maar zélf alvast met verzekeraars in gesprek te gaan.

“Hoewel Brzo-bedrijven zelf verantwoordelijk zijn voor het in goede staat houden van bedrijventerreinen, komt het tóch voor dat overheden opdraaien voor de saneringskosten bij een faillissement.” Die conclusie trok Tweede Kamerlid Liesbeth van Tongeren in december 2013. In de motie die haar naam draagt, vroeg zij aan de regering te laten onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om Brzo-bedrijven zélf voor de saneringskosten te laten opdraaien.

De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) ging met de opdracht aan de slag. Aan het begin van de zomer kwam de raad met een advies over de mogelijkheden van financiële zekerheidsstelling voor aansprakelijkheid bij milieuschade.

Geen wijzigingen civiel recht
Advocaat Natalie Vloemans (Ploum Lodder Princen) kent de kwestie op haar duimpje. “Deze discussie over de verzekerbaarheid van milieuschade speelt al sinds 1989”, weet Vloemans. “Er zijn tientallen rapporten over het onderwerp verschenen, maar tot nu toe is er nooit concreet op geacteerd, in de zin van wijziging van het civiel recht. Ik krijg het gevoel dat men bedrijven toch niet echt durft te verplichten om zich tegen dergelijke risico’s te verzekeren.”

Probleem van Brzo-bedrijven is dat de kans op milieuschade misschien wel klein is, maar dat die heel kleine kans wel heel grote schade kan veroorzaken. Schade die vervolgens heel lastig te verhalen is op de veroorzaker. Dat is precies de reden waarom regering en parlement de invoering van wettelijke zekerheidsstelling voor Brzo-bedrijven overwegen.

Volgens de Rli kan zo’n financieel zekerheidsstelsel verschillende vormen hebben. Het zou een verplichte verzekering kunnen zijn, een concerngarantie, een bankgarantie of een onderling waarborgfonds. Van belang is dat zo’n financieel zekerheidsstelsel niet tot gevolg heeft dat bedrijven minder aan preventie gaan doen.

Verzekeraars krabbelen terug
Vloemans: “Aan een verzekering zou je voorwaarden kunnen koppelen, maar als een bedrijf het op een andere manier oplost, via een concerngarantie bijvoorbeeld, dan kun je daar als overheid geen voorwaarden aan stellen.”

Een andere lastigheid is dat verzekeraars uitsluitingsgronden gebruiken, die ervoor zorgen dat het risico alsnog bij de overheid kan neerslaan. “Naarmate het over meer abstracte risico’s gaat, bijvoorbeeld over nanotechnologie, krabbelen verzekeraars snel terug”, aldus advocaat Vloemans. Het is kortom niet zo eenvoudig om een oplossing voor deze problematiek te vinden.

Advocaat Vloemans adviseert VOTOB-leden daarom om in gesprek te gaan met verzekeraars en tussenpersonen. “Volgens mij is het goed om hierin een proactieve koers te varen. Je zou aan verzekeraars kunnen vragen of ze van plan zijn om een specifiek product hiervoor aan te bieden. Neem het initiatief en ga aan de voorkant meedenken met de verzekeraars. Wellicht zouden verzekeraars zelfs een product kunnen maken dat aan alle bedrijven aangeboden kan worden. Daarmee wordt de premie dan vanzelf ook weer lager.”

FacebookTwitterGoogle+LinkedIn